[anysurfer.logo]

7 begrippen die je moet kennen over kadervorming

7 begrippen die je moet kennen over kadervorming

Kadervorming

Formeel, informeel leren, geattesteerde kadervorming, evaluatiemoment, … in gesprekken rond kadervorming goochelen we nog al eens met moeilijke termen. In dit artikel leggen we er een paar voor je uit.

1. Formeel, niet-formeel en informeel leren

Formele leren

Het formele leren is leren dat plaatsvindt in een georganiseerde en gestructureerde omgeving (zoals in het formele onderwijs, leercentra, …). Tijd en middelen worden bewust ingezet vanuit de doelstelling om gericht iets bij te leren. (Bron)

Non-formeel leren
Non-formeel leren vindt plaats buiten de reguliere opleidingssystemen en leidt niet per se tot het behalen van een diploma of certificaat. We gebruiken de tem als we spreken over activiteiten op de werkvloer en via activiteiten van het maatschappelijk middenveld (bv. jeugdbewegingen, volwassenenvorming, vakbonden, enz.) (Bron). Leren is hier nog steeds de bedoeling, maar de activiteiten beperken zich niet alleen tot leren.

Informeel leren
Informeel leren is resultaat van dagdagelijkse activiteiten gerelateerd aan werk, familieleven of vrije tijd. Het is niet georganiseerd of gestructureerd, heeft geen specifieke doelstellingen of geplande methodes.(Bron) Informeel leren gebeurt spontaan in het dagelijkse leven, dat hoeft zelfs niet noodzakelijk bewust te gebeuren. (Bron)

Cursus hoofdinstructeur 2014
Cursus hoofdinstructeur 2015

2. Vorming en kadervorming

Met vorming bedoelen we die bijeenkomsten - cursussen, sessies of workshops - die de bedoeling hebben om iets bij te leren. Een vormingssessie heeft steeds één of meerdere doelstellingen en een uitgewerkte methode om deze te bereiken. Het verschil met formeel leren, is dat er binnen het jeugdwerk leerprocessen vrijer gelaten worden. Deelnemers krijgen ruimte om te experimenteren met de geboden inhouden en elke vereniging die vorming opzet is vrij om inhoud, methode en begeleiding vorm te geven zoals zij dat willen. 

Daarnaast zijn er uiteraard ook heel wat informele leerprocessen die plaatsvinden. Je leert in het jeugdwerk bij wijze van spreken ‘langs je neus weg’. Door te spelen, te vergaderen, ruzie te maken en samen te werken, leer je onbewust ook heel wat zaken.

Een vorming die zich expliciet naar jongeren met een leidinggevende verantwoordelijkheid in het jeugdwerk, valt dan weer onder de term kadervorming. Deze vorming heeft tot doel hun functioneren als jeugdwerker sterker te maken. Binnen dit niet-formeel leren is er een aanbod van vorming dat zich specifiek richt tot de verantwoordelijken en leidinggevenden in de jeugdsector. Deze zogenaamde kadervorming heeft de bedoeling de deelnemers te versterken in hun rol die ze in de jeugdsector opnemen.

Jeugdwerkers hebben in de praktijk dikwijls heel verschillende taken en verantwoordelijkheden. Dit weerspiegelt zich ook in het kadervormingsaanbod dat inhoudelijk zeer gevarieerd is: van heel specialistische vormingen (bv. grime, sjorren, enz.) tot meer algemene cursussen. Het opleiden van het kader zorgt voor kwaliteitsverbetering in de sector. 

3. Geattesteerde kadervorming

Binnen kadervorming leiden sommige vormingen en cursussen tot een attest van animator, hoofdanimator of instructeur in het jeugdwerk. De attesten worden erkend door de Vlaamse overheid en gelden als een soort bewijs dat de jongere in kwestie over bepaalde competenties beschikt. Elk traject (animator, hoofdanimator of instructeur) werkt naar bepaalde competenties. Een kadervormingstraject dat zich op het attest richt, stelt zich expliciet als doel om die competenties aan te leren en moet voldoen aan een aantal vereisten om erkend te zijn.

4. Decreet kadervorming

Gezien de attesten van erkende kadervormingstrajecten door de Vlaamse Overheid erkend worden, zijn de verenigingen die zulke trajecten willen inrichten, onderworpen aan specifieke regels. Die werden in 2014 nog een keer grondig vastgelegd in een decreet.

Wanneer je mensen hoort spreken over decreet kadervorming, dan hebben ze het over artikel 17/1 van decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid. Het artikel koppelt de criteria voor kadervorming aan het decreet en legt vast dat een organisatie die in bovenstaand decreet een werkingssubsidie ontvangt, de mogelijkheid heeft om kadervormingstrajecten te organiseren die leiden tot een erkend attest.

Daarnaast schrijft het voor dat elk erkend kadervormingstraject tot doel heeft om deelnemers te begeleiden bij het verwerven van de competenties van een animator, hoofdanimator of instructeur in het jeugdwerk. Elk traject bestaat uit een theoretisch deel, een begeleide stage en een evaluatiemoment. Verdere vormvereisten, minimum- en maximumduurtijd, begeleidingseisen, … zijn terug te vinden in de uitvoeringsbesluiten die bij dit decreet horen.

5. Animator – hoofdanimator – instructeur

Er bestaan drie soorten kadervormingstrajecten die tot drie soorten attesten kunnen leiden:


  1. Animator: jeugdwerker die kinderen en jongeren bij hun activiteiten binnen het jeugdwerk begeleidt
  2. Hoofdanimator: jeugdwerker die verantwoordelijkheid opneemt binnen een groep van jeugdwerkers
  3. Instructeur: jeugdwerker die verantwoordelijkheid opneemt in het vormingsproces van jeugdwerkers, een vorming gever zeg maar.  

  • Attest: een door de Vlaamse Gemeenschap erkend bewijs dat een individu een kadervormingstraject heeft doorlopen
  • Competentieprofiel: een afgerond geheel van competenties die een persoon in een bepaalde maatschappelijke context hanteert om de te verwachten resultaten in die maatschappelijke rol te realiseren.

6. Competenties Volgens de definitie is een competentie “de bekwaamheid om kennis, vaardigheden en attitudes in het handelen geïntegreerd aan te wenden voor maatschappelijke activiteiten.” Het komt er op neer dat je de juiste kennis in huis hebt, de vaardigheid om daar naar te handelen en de attitude om dat op een correcte manier te doen. Je bent competent als je die kennis, vaardigheid en houding op verschillende plaatsen, in verschillende omstandigheden kan gebruiken om resultaat te bereiken.

Een voorbeeld: Om de competentie ‘een vergadering voorzitten’ te beheersen, moet een voorzitter kennis van zaken hebben over de thema’s die aan bod komen, de vaardigheid om een met de groep tot een besluit te komen en de houding om ook anderen hun mening te laten uiten, … een echt competentie voorzitter kan dat tijdens een vergadering in de jeugdbeweging, een overleg in de leerlingenraad, op het werk…

Een competentie kan je leren: er bestaan cursussen over vergadertechnieken waarbij deze competentie wordt geoefend. Maar om de competentie werkelijk onder de knie te krijgen en ze verder te ontwikkelen, oefen je best in verschillende, veranderende situaties.

7 (H)erkennen van verworven competenties

De Europese Unie en de Raad van Europa maakten vanaf 2000 enkele aanbevelingen om de competenties die jongeren in de jeugdsector verwerven (meer) zichtbaar te maken, te waarderen en sociaal en formeel te erkennen. Het besef groeide dat leren niet alleen in formele educatieve settings, zoals het onderwijs, gebeurt. Ook in de jeugdsector, op de werkvloer, thuis of andere ontmoetingsplaatsen wordt geleerd, via vormingen of gewoon door ‘dingen’ te doen.

De competenties die jongeren verwerven in de jeugdsector zijn niet altijd even goed zichtbaar, niet voor jongeren zelf, maar vaak ook niet voor jeugdwerkers en nog minder voor de ‘buitenwereld’ die de jeugdsector niet goed kent. Verschillende instanties en organisaties zetten daarom experimenten op en werkten methodes en instrumenten uit die jongeren en jeugdwerkers kunnen helpen om competenties beter zichtbaar te maken en te waarderen . Ze deden dit vooral omdat ze hierin kansen zagen voor jongeren. Jongeren die zich beter bewust zijn van de eigen competenties kunnen later, in verschillende contexten, meer gerichte keuzes maken en staan dus sterker in hun schoenen.

Het is net die visie die mettertijd ook in het kadervormingsverhaal ingang heeft gevonden. Vanuit de overtuiging dat het herkennen, benoemen en hanteren van competenties jongeren versterkt, krijgt ook de kadervormingsregeling een competentiegerichte insteek. In plaats van te focussen op thema’s en inhouden die aan bod komen tijdens kadervorming, spitst de regeling nu toe op de concrete leeruitkomsten. Deze nemen de vorm aan van een competentieprofiel per attest. In samenwerking met de sector, ontwikkelde afdeling Jeugd voor elk attest immers een competentieprofiel met een aantal concrete competenties die de houder van het attest zou moeten bezitten.

Het doel van een kadervormingstraject ligt er dan ook in dat de jongere tijdens het traject de decretaal bepaalde competenties van respectievelijk animator, hoofdanimator en instructeur verwerft. Bij ieder onderdeel van het traject moeten de verschillende competenties aan bod komen. Een traject bestaat vanaf 1 oktober 2015 uit een theoretisch gedeelte, een begeleide stage en een evaluatie:

  • Bij het theoretische gedeelte is het vooral belangrijk dat de deelnemers de bedoelde competenties begrijpen, ze bij zichzelf erkennen en weten hoe ze hun competenties kunnen verbeteren en/of versterken. 
  • Bij de begeleide stage leren de deelnemers hoe ze hun competenties kunnen toepassen in de praktijk en hoe ze vanuit hun ervaringen hun competenties kunnen verbeteren en/of versterken. 
  • De evaluatie is bedoeld om de ontwikkeling van de jongere doorheen het gevolgde traject te beoordelen. De begeleider staat samen met de deelnemer stil bij de ontwikkelde competenties en de werkpunten voor de toekomst.