[anysurfer.logo]

De historiek van kadervorming

De historiek van kadervorming

Kadervorming

Deze pagina neemt je mee in de geschiedenis en ontwikkelingen in geattesteerde kadervorming van 1980 tot vandaag de dag. Als je graag wil weten hoe het denken rond vorming in het jeugdwerk doorheen de jaren veranderde, dan is deze tekst spek naar je bek. Ook om te begrijpen waarom de regels rond kadervorming nu net deze regels zijn geworden, biedt deze tekst een goed kader.

1. Begin van geattesteerde kadervorming: 1980 - 1995

De praktijk om jongeren die bepaalde kadervormingscursussen in het jeugdwerk volgen, een attest uit te reiken, bestaat sinds 1 januari 1980 (Kroniek, uitg. Bestuur voor Jeugdvorming, 1980, blz. 26). Dit gebeurde op basis van een reglement, goedgekeurd door de minister van cultuur. In het begin reikte het toenmalige Bestuur voor Jeugdvorming (de voorloper van Afdeling Jeugd) enkel attesten uit voor basisvorming.

De verenigingen hadden daarbij een grote autonomie inzake het organiseren van dergelijke cursussen: de inhoud en methodiek waren vrij te bepalen. De erkenningsnormen die de overheid stelde waren minimaal en kwantitatief (aantal uren, aantal deelnemers, enz.). Precies omdat het over basiscursussen ging, kwamen in de praktijk –onafhankelijk van de organiserende vereniging – nogal gelijklopende onderwerpen aan bod. In die zin ging het om algemene cursussen. Het attest bevestigde dat de houder had deelgenomen aan een cursus en een stage in het jeugdwerk had volbracht. Het gaf hem de status van “gevormd” jeugdwerker.

2. Criteria voor het uitreiken van attesten aan jeugdwerkers: 1995 - 2009

Vanaf 1995 kwam er verandering. De toenmalige minister voerde de Criteria voor het uitreiken van attesten aan jeugdwerkers in. Deze criteria namen ook attesten voor hoofdanimator, instructeur en zelfs hoofdinstructeur op. De invoering van deze extra attesten erkende een groeilijn in het leerpad van een animator / vrijwilliger in het jeugdwerk en bracht een hele dynamiek teweeg. In de loop der jaren nam het aantal uitgereikte attesten toe. De cijfers tonen aan dat het uitreiken van attesten voor een groot aantal erkende jeugdverenigingen tot de kerntaak behoort.

De criteria werden sindsdien in de loop der tijd enkele keren aangepast en bijgeschaafd, maar nooit aan een grondige verandering onderworpen. Bijna 20 jaar ging de jeugdsector door met het organiseren van kadervorming op basis van diezelfde, grotendeels ongewijzigde, visie op vorming van jeugdwerkers.

Zo bleven de criteria behoorlijk vaag over de precieze doelstelling van rol van een hoofdinstructeur en hoofdanimator. Hoewel in het algemeen gesteld werd dat in de vormingsprocessen dient gewerkt aan inzichten, houdingen of vaardigheden, werden die niet geëxpliciteerd.

Ook lag de focus van de criteria grotendeels op de thema’s of domeinen die aan bod moesten komen in kadervormingscursussen. Deze thema’s bleken op hun beurt breed geformuleerd en weinig gericht op de uitkomsten van leerprocessen die die thema’s behandelen. Op termijn heeft dit geleid tot een veelheid aan zeer uiteenlopende kadervormingsprogramma’s die elk leiden tot eenzelfde attest. Eenzelfde attest dekt met andere woorden niet dezelfde lading. Daardoor rezen zelfs binnen de eigen sector vragen over de feitelijke betekenis en onderlinge gelijkwaardigheid van de uitgereikte attesten.

3. Start van een inhoudelijke hervorming: 2009

De beleidsnota Jeugd 2009-2014 onder minister Smet schreef dan ook volgende doelstelling in: “Kinderen en jongeren ruimte geven om competenties te ontdekken en ontwikkelen” als operationele doelstelling 2 o.m.: “het competentiedenken en handelen in het jeugdwerk zelf stimuleren door: de bestaande, maar ondertussen achterhaalde regelgeving m.b.t. het uitreiken van attesten aan jeugdwerkers te evalueren en te herzien (...)” (blz. 18) “

Vanuit de noodzaak om de regeling met betrekking tot attesten en kadervorming in het jeugdwerk bij te benen met een meer hedendaagse visie op vorming van jongeren, werd een lang proces ingezet. Een proces dat naast inhoudelijke doelstellingen ook een wetgevingstechnische inslag kende: In vroegere versies van de criteria was het reglement nauw verbonden met het decreet dat erkenning en subsidiëring van landelijk georganiseerd jeugdwerk regelt. Doordat dit laatste decreet sinds 1998 veelvuldig werd gewijzigd, viel die band echter weg. In eerste instantie door de verplichting dat landelijk georganiseerd jeugdwerk kadervorming organiseerde, los te laten. Nadien doordat er geen specifieke bepalingen in het decreet werden ingeschreven voor wat betreft kadervorming.

In die zin werden de criteria een soort van pseudowetgeving: wel geldig en bepalend, maar los van enige decretale inslag. Het is net om die reden dat besloten werd op een nieuwe kadervormingsregeling in een extra artikel aan het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid toe te voegen.

4. Proces met afdeling, sector en kabinet: 2009 – 2015

Gezien minister Smet de evaluatie en vernieuwing van de criteria in zijn beleidsnota inschreef, start het proces reeds in 2009. Echt vaart nemen, gebeurde pas in de periode 2010-2011.

4.1 De start: onderzoek en verkenning
De eerste aanleiding om het competentiedenken binnen te brengen in de attestenregeling, vindt haar oorsprong in een samenloop van bevoegdheden: minister Smet was, naast minister van jeugd, immers ook minister van onderwijs. Binnen dit beleidsdomein werd in 2007 vooral ingezet op het conceptueel uitdenken en vormgeven van de Vlaamse Kwalificatiestructuur . In het kader daarvan werd nagegaan of het mogelijk is om een ‘animator in het jeugdwerk’ te vertalen naar een profiel dat binnen dit overkoepelende raamwerk past.

Het toenmalige Steunpunt Jeugd schreef een onderzoek uit dat moest achterhalen over welke competenties een animator moet beschikken. Door in 4 rondes alle verengingen die kadervorming organiseren te bevragen, kregen de onderzoekers van VUB en Cesor een eerste zicht op een generiek competentieprofiel voor animator, hoofdanimator en instructeur. Hoewel deze oefening er niet toe geleid heeft dat het profiel van animator in de kwalificatiestructuur gekanteld is, zorgde het er wel voor dat de sector besefte dat de diversiteit van opgemaakte profielen erg groot was. Er was op dat moment weinig eensgezindheid over wat een animator, een hoofdanimator en een instructeur in het jeugdwerk moet kennen en moet kunnen. Het onderzoek zette een eerste stap door de verschillende functies binnen het jeugdwerk te vertalen naar competenties en competentieprofielen.

De conclusie van dit onderzoek ging niet onopgemerkt voorbij. Toen minister Smet zich voornam om de criteria voor kadervorming te hervormen, vond hij in het onderzoek een eerste sterke inrijpoort. De beleidsnota van de minister aan de start van zijn beleidsperiode schuift dan ook de doelstelling naar voor om “Kinderen en jongeren ruimte geven om competenties te ontdekken en ontwikkelen” en “het competentiedenken en handelen in het jeugdwerk zelf stimuleren door: de bestaande, maar ondertussen achterhaalde regelgeving m.b.t. het uitreiken van attesten aan jeugdwerkers te evalueren en te herzien (...)” (blz. 18) “.

4.2 Kwantitatieve screening door de afdeling Jeugd
Vooraleer de attestenregeling onderworpen kon worden aan een grote inhoudelijke verandering, screende de afdeling Jeugd de bestaande regeling op een aantal kwantitatieve gegevens. Zo gingen zo onder andere na:
  • Hoe veel verenigingen geattesteerde kadervorming aanbieden en om welk soort verengingen het gaat. 
  • Hoe veel cursussen er jaarlijks plaatsvinden. 
  • Hoe veel deelnemers er jaarlijks in de regeling stappen. 
  • Welke attesten er jaarlijks uitgereikt worden. 
  • Waar stages plaatsvinden en hoe verenigingen deze opvolgen. 
  • … 

Uit de kwantitatieve screening haalde de afdeling ook enkele conclusies:

  • Het jeugdwerk investeert enorm in vorming 
  • De vormingsinitiatieven bereiken veel deelnemers 
  • AJ reikt jaarlijks heel wat attesten uit en “erkent” daardoor op symbolische wijze de vorming die “past” in de Criteria 
  • De geattesteerde kadervorming is de meest “formele” non-formele vorming

4.3 Eerste bevraging van de sector (SWOT analyses)
Volgend op een eigen screening werd ook de sector gevraagd een analyse te maken van de bestaande regeling. Zowel Steunpunt Jeugd alsook de Vereniging Vlaamse Jeugddiensten (VVJ) startten een participatief proces op om de eigen stakeholders te vragen achter de sterktes, zwaktes, kansen en bedreigingen voor wat de attestenregeling betreft. De precieze invulling van het SWOT kader door beide organisaties vind je in bijlage. Beide organisaties schoven ook suggesties tot verbetering naar voor:

Steunpunt Jeugd
  • Inzetten op vier geattesteerde kadervormingstrajecten (cf. huidige criteria) 
  • (Kader)vorming uitbouwen vanuit competenties
  • Een attest dat competenties benoemt 
  • Ruimte voor flexibele, erkende vormingsprogramma’s
  • Een erkenning als (kader)vormingsorganisatie
  • Meer ruimte voor samenwerking ifv vorming en kadervorming tussen verenigingen
  • Een stage voor hoofdinstructeurs - Subsidiebeleid voor gevolgde kadervorming in het jeugdwerk (lokaal niveau)
Vlaamse Vereniging Jeugddiensten (VVJ)
  • T.a.v. huidige criteria - Behoud verschillende niveaus van attestering 
  • Duidelijker definities kwaliteitsvolle kadervorming (cursus en stage) 
  • Grondigere kwaliteitscontrole 
  • Meer nadruk op praktijk/stage 
  • Drempelverlaging / verhogen toegankelijkheid
  • Monopolie landelijke organisaties loslaten

T.a.v. link competenties

  • Inschrijven kadervorming in het grotere EVC-verhaal
  • Sleutelwoord = beoordeling (cf. portfolio, evt. ervaringsbewijs jeugdwerker)

T.a.v. lokaal jeugdbeleid

  • Rol voor jeugddienstmedewerkers in bekendmaking en ondersteuning kadervormingsaanbod en stagebegeleiding jongeren
  • Rol jeugddiensten in communicatie naar lokale werkveld en jeugdbeleidsactoren

4.4 Werkgroep attesten
Na het opleveren van de SWOT analyses bleef het een hele tijd stil rond de hervorming van de geattesteerde kadervormingsregeling. Ongeveer een jaar later weerklonk de oproep om deel uit te maken van een officiële werkgroep, samengesteld uit vertegenwoordigers van afdeling Jeugd, Steunpunt Jeugd, VVJ en sectorvertegenwoordigers.

Deze groep kreeg de opdracht om tegen de zomer van 2012 een uitgewerkt voorstel te hebben met betrekking tot kwaliteitscriteria voor de verenigingen én de competentieprofielen voor animator, hoofdanimator en instructeur.

Van de werkgroep werd een nota verwacht, geen ontwerp van decreet. De nota zou aan de minister worden overgemaakt waarna kan het traject verder geconcretiseerd werd.

De groep kreeg vanuit kabinet Smet drie insteken mee: Ten eerste was het kabinet op zoek naar een kwaliteitskader en erkenningsformule voor vormingsverenigingen. Dit zou moeten toelaten dat verenigingen zelf attesten kunnen aanmaken en uitreiken. Ten tweede zouden competentieprofielen de nieuwe basis vormen van de attesten. Het attest hoofdinstructeur zou verdwijnen.

De werkgroep startte uiteindelijk op 12 januari 2012 met haar werkzaamheden. De opdracht bestond uit drie processen:
  • Kwaliteitskader vormingsverenigingen
  • Competentieprofielen
  • Aanpassing decreet en uitvoeringsbesluiten

Wanneer we nadien de balans opmaken, blijkt dat de werkgroep een bijzonder hobbelig parcours zou rijden, met erg veel interne en externe discussies. De hervorming van de regeling blijkt een erg grote verandering om te slikken voor verschillende verenigingen in de sector. De aanpassing van decreet was dus allesbehalve een gemakkelijke bevalling.

5. Vernieuwde regelgeving, in werking vanaf 1 oktober 2015

De vernieuwde criteria houden heel wat veranderingen in ten opzichte van de vorige regeling. We overlopen hier de achterliggende visie en schetsen de grootste veranderingen.

5.1 Achterliggende visie
De regeling vertrekt vanuit een achterliggende visie met een paar rode draden:

Verhogen van de betekenis van een attest in het jeugdwerk
Doorheen de verschillende jaren dat de attestenregeling bestaat, is de betekenis van een attest aan verschuiving onderhevig. In de vorige versie van de criteria stonden inhoudelijke domeinen aan de basis van een cursus en bijhorende stage. De relatief vage domeinen boden echter weinig garantie aan wanneer het gaat over concrete vaardigheden, kennis en attitude die een jongere opdoet in het doorlopen van een kadervormingstraject. Verenigingen hadden erg veel vrijheid in de interpretatie en verdere uitwerking van de inhoudelijke domeinen tot een cursus. Deze vrijheid sluit dan wel aan bij de grote diversiteit in de sector, ze heeft echter het nadeel dat het onduidelijk is wat een animator in het jeugdwerk nu juist kent en kan. Door een competentieprofiel de basis van elk kadervormingstraject te maken, wil de nieuwe regeling dit nadeel ongedaan maken. Elke vereniging werkt op zijn/haar eigen manier aan de basiscompetenties die een animator, hoofdanimator en instructeur dient te bezitten. Elk uitgereikt attest zal deze competenties ook vernoemen. Op die manier hoopt de nieuwe regeling de betekenis van het attest te verhogen, binnen èn buiten de sector.

Jongeren leren competenties herkennen en bij zichzelf benoemen
Bovendien leren de deelnemers doorheen hun traject de competenties ook herkennen en benoemen. De opvolging van een jongere die deelneemt aan een kadervormingstraject, staat volledig in het teken van benoemen van competenties en competentieontwikkeling. Op die manier wil de nieuwe regeling de transfer van competenties over contexten heen (jeugdwerk, school, thuis, arbeidsmarkt, …) faciliteren.

Meer verantwoordelijkheid en eigenaarschap voor de jongere
De nieuwe regeling legt heel wat verantwoordelijkheid in handen van de deelnemer. De jongere dient het traject zelf in handen te nemen. Het afronden van het gehele traject moet binnen een periode van drie jaar gebeuren. Het is aan de jongere zelf om deze periode te respecteren. Bovendien moet hij/zij zelf initiatief nemen om de verschillende delen (cursus, stage, evaluatiemoment) tijdig af te ronden.

Verhoogde begeleiding door vereniging
Doorheen het hele traject kan de jongere wel steunen op een verhoogde begeleiding door de vereniging. Waar je vroeger als organisator van cursussen je deelnemers na afloop kon ‘loslaten’ in het jeugdwerk, ben je in de nieuwe regeling verplicht om meer opvolging te voorzien. Je bent immers contactpersoon voor elke deelnemer die in zijn/haar traject moeilijkheden tegenkomt. Daarnaast dien je de deelnemers, na afronding van hun stage, opnieuw in huis te halen voor een evaluatiemoment. Voor dit laatste voorzie je ook begeleiders.

Doorheen elk deel van het traject kan een jongere rekenen op ondersteuning, begeleiding en feedback voor wat betreft zijn competentieontwikkeling. De organiserende vereniging staat hier voor in.

5.2. Grootste veranderingen
We spreken in het vervolg van kadervormingstrajecten:

Attest = cursus (50u) + stage (50u) + evaluatiemoment (4u/2u)

De flow in vroegere criteria: de vereniging organiseert een cursus >> De deelnemer beëindigt de stage positief >> stuurt het stageboekje op naar de vereniging >> vereniging vraagt attesten aan en stuurt ze naar deelnemers. In de nieuwe regelgeving bestaat een kadervormingstraject uit 3 grote delen: Vereniging organiseert en begeleidt cursus van 50u >> deelnemer doet stage (50u) >> de vereniging organiseert een evaluatiemoment (4u in groep / 2u per individu). Een deelnemer die elk van de drie elementen vervolledigde, kan een attest bekomen.

Afronding van een traject gebeurt in maximum 3 jaar
Jongeren worden verplicht om binnen drie jaar hun gehele traject af te ronden. Vanaf het moment dat ze hun eerste dag cursus beleven tot aan de afronding van het evaluatiemoment mag er drie jaar overgaan.

Opvolgingsplicht voor de vereniging doorheen het hele traject
Waar je vroeger een cursus organiseerde en je deelnemers nadien losliet op het jeugdwerklandschap, ben je nu verplicht om ze na hun begeleide stage opnieuw in huis te halen voor een reflectiemoment. Dit betekent dat je als vereniging zowel instaat voor de organisatie van een cursus, alsook een evaluatiemoment voor deelnemers die hun stage afgerond hebben. Dit impliceert ook dat je contact houdt doorheen het traject . 

Werken met een generiek trajectboekje
In het vernieuwde decreet staat opgenomen dat alle deelnemers doorheen hun kadervormingstraject met hetzelfde instrument opgevolgd worden. De afdeling Jeugd werkte hiervoor, in samenspraak met vertegenwoordigers van de jeugdwerksector, een generiek trajectboekje uit. Dit boekje zal zowel tijdens cursus, alsook stage en het evaluatiemoment de voortgang van competentieontwikkeling bijhouden.

Gewijzigde administratie
In de nieuwe regeling werkt men niet langer met gekleurde formulieren die je moet indienen. Je vult dus geen witte, gele, oranje en roze formulieren meer in. In het nieuwe systeem dien je per soort kadervormingstraject éénmalig een dossier in waarin je aangeeft wat je visie is op het traject, welke inhouden aan bod komen en op welke wijze je het traject organiseert en ondersteunt. Nadien moet je enkel nog melding maken wanneer je een cursus organiseert. Geen verslag meer opsturen, geen cursusschema’s indienen op voorhand, …

Cursus, stage en evaluatiemoment zijn gebaseerd op competentieprofielen
De vroegere, eerder vage, domeinen zorgden er voor dat cursusinhouden vooral afgestemd werden op verplichte inhouden. Dit systeem wordt opgegeven. In de nieuwe regeling stemmen cursusinhouden zich af op competentieprofielen. Elk attest (animator – hoofdanimator – instructeur) heeft zo een eigen profiel met een lijst van competentie waaraan gewerkt moet worden. Op die manier staan leerresultaten vooraan en bepalen deze de inhoud van een cursus.

Cursusuren gelijkgetrokken op 50u
In de vroegere regeling telde een cursus animator minimaal 60 werkelijke vormingsuren, een hoofdanimatorcursus en een instructeurscursus 30u. In de nieuwe regeling worden alle cursussen qua vormingsuren gelijkgetrokken op de grens van 50u. Dit getal geldt als een minimum- en maximumaantal.

Minstens 4 deelnemers op cursus
De begeleiderseisen voor cursussen verstrengen
De verantwoordelijke ter plaatse dient – naast een instructeursattest – ook al wat ervaring te hebben met het begeleiden van cursussen.