Visietekst ruimte

De kerndoelstelling van het thema ruimte luidt als volgt:

Om kinderen en jongeren terug de ruimte te geven die zij verdienen, en om tegemoet te komen aan de ruimtelijke noden en wensen van kinderen en jongeren, is een ruimtelijk beleid nodig dat actief inzet op een meer jeugdgerichte inrichting en organisatie van de ruimte in Vlaanderen. Een goed ruimtelijk beleid moet er mee voor zorgen dat kinderen en jongeren in de toekomst voldoende fysieke ruimte hebben om volop jong te zijn. Bovendien moet die ruimte zo georganiseerd zijn dat kinderen en jongeren er volwaardig gebruik van kunnen maken. En tenslotte moeten kinderen en jongeren de ruimte zelf mee willen, kunnen en mogen vorm geven.


Om dit mogelijk te maken moet het ruimtelijk beleid, samen met verscheidene partners (andere overheden, het middenveld, kinderen en jongeren,…) de vier onderstaande strijdpunten realiseren.

1. Kinderen en jongeren hebben de fysieke ruimte om volop jong te zijn

Ten eerste moet de overheid er mee voor zorgen dat kinderen en jongeren meer dan voldoende fysieke ruimte hebben om volop jong te zijn. Dit kan enkel door op een duurzame en efficiënte manier om te springen met de beperkte ruimte die we ter beschikking hebben. Daartoe zullen we als Vlamingen compacter moeten gaan wonen, op duurzaam bereikbare plekken, en met een grote mix aan voorzieningen. Een goed ruimtelijk beleid en een drastische mentaliteitswijziging zijn hiervoor de noodzakelijke voorwaarden.

Tegelijkertijd biedt het delen van en het tijdelijk openstellen van ruimte en infrastructuur naar kinderen, jongeren en hun organisaties toe heel wat mogelijkheden om plaats te geven aan jeugdig experiment. Het delen van ruimte heeft bovendien een sterke sociale dimensie, want het kan leiden tot ontmoeting, respect en het delen van verantwoordelijkheid. In die zin stimuleert het delen van ruimte mensen tot solidariteit. Ook het tijdelijk gebruik van te ontwikkelen, leegstaande of braakliggende gebieden of percelen biedt heel wat mogelijkheden, vooral als experimenteerruimte.

2. De ruimte is ingericht op maat van kinderen en jongeren

Ten tweede moet het ruimtelijk beleid mee bouwen aan een betere kwaliteit van de ruimte, door de ruimte in te richten op maat van kinderen en jongeren. Een interdisciplinaire, gebiedsgerichte en integrale aanpak is hierbij noodzakelijk.

Ruimte op maat van kinderen en jongeren betekent ruimte die compact en kleinschalig is, met een grote mix aan voorzieningen in de onmiddellijke woonomgeving. Een groene en speelse ruimte waarin steeds iets te beleven valt. Een ruimte waarin je je gemakkelijk en veilig te voet, met de fiets en het openbaar vervoer kan verplaatsen. Een ruimte waarin alle kinderen en jongeren toegang hebben tot een kwaliteitsvolle woning. Zulk een jeugdvriendelijke inrichting van de ruimte komt uiteindelijk het geluk van iedereen ten goede, want jeugdvriendelijke ruimte is ruimte op maat van iedereen!

3. Kinderen en jongeren in maatschappelijk kwetsbare situaties zijn volwaardige gebruikers van de publieke ruimte

Ten derde moet de overheid ook werken aan een betere sociale organisatie van onze publieke ruimte, zodat kinderen en jongeren volwaardig gebruik kunnen maken van deze publieke ruimte. Vooral jongeren in maatschappelijk kwetsbare situaties, die een belangrijk deel van hun vrije tijd in de openbare ruimte doorbrengen, zijn het slachtoffer van de toenemende intolerantie. Vooral voor deze kwetsbare groepen moet het recht op een volwaardig gebruik van de publieke ruimte dus gegarandeerd worden.

Daarom moeten overheid en burgers bouwen aan een solidaire samenleving waarin de dialoog tussen de verschillende gebruikers van de publieke ruimte versterkt wordt. Dat kan gebeuren door het inzetten van sociale professionals (zoals straathoekwerkers), het inrichten van speel- of leefstraten,… Bovendien verwachten we van de overheid dat zij investeert in het versterken van het sociale weefsel en de dialoog tussen burgers, in plaats van steeds regulerend of zelfs repressief op te treden bij samenlevingsconflicten in de publieke ruimte (denk maar aan de GAS-boetes). Tegelijkertijd moeten vooroordelen ten opzichte van jongeren (in maatschappelijk kwetsbare situaties) in de publieke ruimte ontkracht worden en moeten zij op een positieve manier in beeld gebracht worden.

Publieke ruimte is echter geen absoluut recht: kinderen en jongeren zijn medegebruikers van de ruimte, en moeten hierin ook regels volgen (respect voor andere gebruikers, verkeersregels,…). We vragen dan ook niet dat kinderen of jongeren overal en altijd hun ding moeten kunnen doen, maar wel dat ze volwaardige gebruikers kunnen zijn van de ruimte, net als elke andere burger.

4. Kinderen en jongeren willen, kunnen en mogen de ruimte zelf mee vorm geven

Ten vierde is het belangrijk dat kinderen, jongeren en het jeugdwerk als gebruikers van de ruimte worden geraadpleegd over hun wensen en behoeften, en dat er rekening wordt gehouden met hun noden. Dat gebeurt nu nog veel te weinig. Omgekeerd zijn jongeren en jeugdorganisaties weinig of niet op de hoogte van de planningsprocessen die gevoerd worden en het ruimtelijk beleid dat ontwikkeld wordt, hoewel deze voor hen van belang zijn. We moeten dus een jeugdreflex creëren bij het ruimtelijk beleid en een ruimtereflex bij jeugd.

Een participatief ruimtelijk beleid is daarom van groot belang. We moeten ervoor zorgen dat kinderen en jongeren kunnen, willen en mogen meepraten over ruimte. Meer zelfs: kinderen en jongeren moeten de ruimte kunnen, willen en mogen mee vorm geven. Dit veronderstelt niet enkel een participatieve aanpak op maat die kinderen en jongeren zin geeft om mee te denken en te ontwerpen, maar ook een omkaderend beleid dat jeugdig initiatief stimuleert in plaats van het te beknotten door een overmaat aan regelgeving of een obsessie voor health & safety.